Een stoet van mensen schuifelt over het pad in de voortuin. Een zwart afdak, voor de gelegenheid geïnstalleerd, beschermt hun schone schoenen en plastrons tegen de miezer. Wie de auto verderop langs de steenweg heeft moeten parkeren of van zijn eigen huis een stuk over vochtig grind heeft moeten lopen en toch nat is geworden, schudt zijn jas uit of stampt met zijn schoenen eer hij over de dorpel stapt.

Na een korte passage door de smalle inkomhal komt de rij in de living. In plaats van de normale huiselijke gezelligheid is het er nu leeg en stil. De salon, de televies en andere prullerijen zijn in de achterliggende eetplaats op elkaar gepropt, waar het volk het niet kan zien. Alleen de lampadaire is blijven staan. Ze verlicht de kamer samen met de twee grote kaarsen die naast de kist zijn gezet.

Binnen hebben de mensen drie dingen te doen. Ieder op zijn eigen manier, maar doen zullen ze het, alsof meneer pastoor het heeft geboden.

Ten eerste begroeten ze de overledene, schoon in ‘t pak en met zijn handen over het middel gevouwen. Ze pakken de kwispel en maken een kruis in de lucht.

Ten tweede gaan ze naar de weduwe en haar kinderen, op een rij gezet van oud naar jong. Ze schudden handen, kussen wangen en janken van het leed. Ze beklagen zich over zijn tot halt gekomen hart, over de directeur van de mijn of de sjieke typen in Brussel. Wanneer ze geen schuldige willen of kunnen noemen, wensen ze alleen maar goeie moed en genade van de lieve heer.

Ten derde, de een doet dit eerst en de ander sluit ermee af, kijken ze druk in ‘t rond. Ze pakken de kans om bij een ander binnen te loeren. Een zeldzame chansard kan spieken tussen de gordijnen door, naar de eetplaats waar de kleinkinderen zien zitten, bedrukt bij elkaar gezet tussen de televies en de salon.

Wanneer ze elke stap hebben gedaan vertrekken ze weer, langs de smalle inkom terug naar buiten. Content met hun eigen en het goed werk dat ze hebben verricht.


1-11-2023